Een deuk in het onmogelijke

In de verhalenbundel ‘Langzaam, zo snel als ze konden’ van Toon Tellegen staat een verhaal over een olifant die genoeg heeft van het bos en wil vliegen. Nu gaan de gedachten natuurlijk snel uit naar Disney’s circusolifantje Dombo met zijn veel te grote oren, maar dit is een andere olifant. Deze olifant wil vliegen zoals stofjes vliegen, en blaadjes. Die hebben toch ook geen vleugels?

Gevraagd waarheen wijst deze olifant met zijn slurf naar een klein wit wolkje. “Eerst daar maar eens heen en dan zien we wel weer”, zegt de olifant. Met een flinke aanloop lukt het de olifant om daadwerkelijk te vliegen. Niet alleen dat, hij verdwijnt achter de wolk.

Alle dieren in het bos, die waren toegestroomd om deze bijzondere onderneming van de olifant te komen bekijken, zijn hogelijk verbaasd. Ze zijn nog maar nauwelijks van die verbazing bekomen als ze worden opgeschrikt door een geweldige klap. Een doffe dreun, alsof er iets geweldig groots met een enorme klap het aardoppervlak raakt.

Als de dieren, die zich bezorgd om de gekwetste olifant bekommeren -want hij was het die met zoveel kabaal was neergekomen- hem vragen wat er was gebeurd, zegt de olifant: “Na de wolk kon ik niet meer verder. Maar dat kon ik toch niet weten!”

Foto: Ari Evergreen

Het is met recht een wonderlijk verhaal. Het roept vragen op over dat vliegen van de olifant. Hoe doet ie het? En: wat heeft het te betekenen? Ik vroeg het eens aan een man aan wie ik vaker deze verhalen voorlees. Hij had er geen antwoord op, maar een ding wist hij wel: de olifant was tegen het onmogelijke aan gevlogen.

Wat een fantastische duiding! Want onmogelijk is natuurlijk dat vliegen van de olifant al. Dat kan eigenlijk alleen in een verhaal. Een verhaal kan tegelijk waar zijn en niet echt gebeurd. In verhalen vliegt een olifant zoals een blaadje of een pluisje doet. Maar hij moet op een zeker moment ook weer gewoon een olifant worden. Dan komt hij als gevolg van zijn ontmoeting met het onmogelijke met een geweldige klap weer neer.

Want olifanten vliegen niet, zoals vogels vliegen. Een vogel, een zwaluw, komt halverwege het verhaal voorbij, rakelings langs de olifant. Hij stelt voor de andere dieren vast dat het inderdaad de olifant is die ze zien vliegen. De zwaluw was nooit in botsing gekomen met het onmogelijke. Hij had het weten te ontwijken zoals hij de olifant ontweek. Hij zou dicht bij de wolk zijn gebleven of daar überhaupt niet voorbij gegaan zijn. Hij had het onmogelijke nooit opgemerkt. Datzelfde geldt voor de dieren op de grond. Ook zij gaan de confrontatie met het onmogelijke uit de weg.

Alleen de olifant heeft de stap gezet naar wat niet kan. Hij kwam oog in oog met het onmogelijke en kan het navertellen. Hij is niet ongehavend uit die ontmoeting tevoorschijn gekomen, maar hij kan het navertellen. Daar gaat het om! Om verhalen te vertellen dat je niet te angstig moet zijn. Dat je niet te snel moet zeggen: “nee, dat kan niet, dat is onmogelijk”. Dat je met het onmogelijke niet zachtzinnig moet omgaan.

Het onmogelijke is namelijk expansief. Zonder weerstand breidt het zich uit. Als nu dit niet kan, kan morgen dat niet. Als nu zus niet kan, kan morgen zo niet. De olifant geeft het goede voorbeeld. Hij slaat een flinke deuk in het onmogelijke. Niemand kan namelijk, ook het onmogelijke niet, ongestraft in botsing komen met een olifant. Het is daardoor voorgoed veranderd door een olifant die vliegen wou.

Martijn Junte

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *