De grote rover te slim af zijn

Veel moderne verworvenheden zijn het resultaat van de intrinsieke motivatie van mensen om iets te borgen of zeker te stellen. Als zodanig vertegenwoordigt het een bepaalde waarde. Een onbedoeld effect van dit creëren van waarde is dat het kansen schept voor de grote rover. Hij roomt de waarde af of ontvreemdt die geheel om er alleen zelf van te profiteren. Zo wordt de persoon of de gemeenschap die de waarde ooit creëerde iets afgenomen.

Grootschalige landbouw ontstond ooit om een concreet probleem het hoofd te bieden. Na WOII moest het land opnieuw worden opgebouwd en werd een nieuwe orde gesticht. Om de voedselvoorziening veilig te stellen werd naar schaalvergroting gestreefd. Zo werd waarde gecreëerd. Die waarde komt echter niet meer terecht op de plaats waar ze nodig is. Industriële landbouw zal voor een bepaalde groep nog van waarde zijn als investering of melkkoe, maar dient het algemeen belang niet meer. De belasting voor mens, dier en milieu is te groot. Dat roept de vraag op: hoe kunnen we de grote rover te slim af zijn?

De grote rover

Afbeelding: Zhang Lu (1464–1538) – ‘God of good fortune’. Chester Beatty Library, Dublin.

De grote rover is een figuur uit De verzamelde geschriften van de 4e eeuwse taoïst Zhuang Zi. Het is naast Het boek van de Tao en de Gesprekken van Confucius één van de drie grote Chinese klassiekers. In het 10e hoofdstuk met de titel ‘Koffers openbreken’ komt de grote rover voorbij.

‘Om je te beschermen tegen dieven die je koffers openbreken, in je tassen graaien en je kasten forceren, ben je wel genoodzaakt om er touwen en riemen om te doen, en ze vast te maken met klampen en sloten. Dat wordt in de volksmond wijs genoemd. Maar komt er een reusachtige rover, die de kast op zijn rug neemt, en de koffers en tassen aan een draagstok over z’n schouder, dan is die alleen maar bang dat de touwen, riemen, klampen, sloten niet stevig genoeg zullen zijn. Is het dan niet zo dat zij die we daarnet nog wijs noemden, eigenlijk hun zaakjes goed hadden opgeborgen ten gerieve van die grote rover?’

De grote rover in het rijk van Qi

Om te benadrukken dat hij hier niet alleen puntig formuleert en spitsvondig redeneert, illustreert hij zijn parabel aan de hand van de volgende anekdote:

In het rijk van Qi leefden de mensen dicht op elkaar, maar ze lieten elkaar ook de ruimte om zichzelf te zijn. Het rijk was bovendien van een respectabele omvang en toch was alles keurig in orde. De tuinen en landerijen waren goed onderhouden en werden bewerkt zodat er voor ieder te eten was, er heerste zelfs de nodige voorspoed. Men respecteerde er de voorouders, richtte altaren op voor de goden van de aarde, van het graan, en van het bestuur van dorp, stad en land. Ze deden dat alles bovendien geheel en al volgens de wetten van de wijzen.

Wat ging het fijn in dat prettige rijk, tot men er echter werd opgeschrikt door een gruwelijke misdaad: de vorst van Qi werd omgebracht door de edele Tian en nam diens plaats als vorst van Qi in. Deze daad leverde Tian de reputatie op van een rover en een dief, maar dat was het dan ook. Er kwam geen opstand. Kleinere rijken durfden hem geen strobreed in de weg te leggen. Grotere aarzelden om hun belangen op het spel te zetten. Zo kon de edele Tian als vorst van Qi rustig verder leven, als ware hij een eerzame en nobele leider.

Zhuang Zi concludeert:
‘Als dit niet een voorbeeld is van een land achterover drukken met daar bovenop nog de wijze wetten van de wijze mannen om zo je rovende en stelende hachje te redden, wat is het dan?’

Weg met de wijzen, Weg met de wijze wetten

Maar goed, meester Zhuang Zi -laten we even doen alsof we met hem in gesprek kunnen- wat moeten we dan?
Moeten we onze kostbaarheden dan maar zomaar laten slingeren?
Is onze samenleving niet gebaat bij een deugdelijk bestuur?
Zouden we de wet niet respecteren en in ere houden?

Zhuang Zi heeft een verrassend antwoord:
Weg met de wijzen. Dan zullen de grote rovers ophouden.
Doe jade en parels weg. Dan zullen er geen kleine dieven meer zijn.
Schaf alle koninklijke zegels en onderscheidingen af. Dan wordt het volk weer eenvoudig en bescheiden.
Schaf maten en eenheden af. Dan zullen er geen geschillen meer over zijn.
Schaf wijze wetten van wijze mannen af. Dan zal het volk zich weer zelf beraden.
Schaf toonladders af. Breek citers en mondorgels. Stop de oren van de muziekmeester toe. Dan zal het volk zijn gehoor weer terugvinden.
Hou op met kleuradviezen en doek de interieurbladen op -een klein anachronisme, als u het me toelaat- dan zal het volk zijn zicht hervinden.
Schaf loodlijnen, zweihaken af. Gooi passers en winkelhaken weg. Dan zal het volk beginnen zijn eigen bekwaamheid terug te vinden.
Want, zo eindigt meester Zhuang Zi: ‘De grootste bekwaamheid is als het ware onhandig.’

Mensen hun eigen gezicht terug geven

Maar meester Zhuang Zi komt u hier niet met uw eigen wijsheid, met uw eigen wijze wetten?
Wel, dat is natuurlijk gemakkelijk de kritiek als je tegenover de ontwikkelde wereld en haar verworvenheden een romantisch beeld schetst van een nobele, wilde samenleving, een soort wereld van ‘vroeger was alles beter’. Toch is die kritiek misplaatst, want Zhuang Zi heeft iets anders op het oog dan een andere, externe maatstaf voor het goede leven. Hij meent dat mensen de maatstaf voor het goede leven weer in zichzelf moeten zoeken.

‘Wanneer de mensen hun eigen gezicht bezitten, zal er in de wereld niets meer zijn dat hen zal verblinden.
Wanneer ze hun eigen gehoor hebben, dan zal er in de wereld niets meer zijn dat hen zal verdoven.
Wanneer ze hun eigen wijsheid hebben, dan zal er in de wereld niets meer zijn dat hen zal misleiden.
Wanneer de mensen hun eigen deugdzaamheid hebben, dan zal er in de wereld niets meer zijn dat hen zal verpesten.’

Martijn Junte

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *